Het volgende verhaal stond al een keer op MD maar is blijkbaar verloren gegaan. Ik ben niet echt een verhalenschrijfster dus ga niet denken dat ik nog veel meer verhalen erop ga zetten. Maar in ieder geval veel leesplezier.
Het volgende verhaal stond al een keer op MD maar is blijkbaar verloren gegaan. Ik ben niet echt een verhalenschrijfster dus ga niet denken dat ik nog veel meer verhalen erop ga zetten. Maar in ieder geval veel leesplezier.
inta ab.. w ana oum.. inta Adam w ana Hawa...
- Uit het leven van Brahim -
Hij staarde naar het plafond. Nog twee uur te gaan en dan zat zijn nachtdienst er weer op. Hij deed het graag hoor, maar hij had zo’n slaap. En morgen moest hij weer naar school. Hij zuchtte en voelde zijn oogleden zwaarder worden. Zo vocht hij een tijdje tegen de slaap totdat hij het gevecht verloor. Plotseling werd hij wakker door een tekort aan adem en een vreselijk gegil. Aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaah! Aaaaaaaaaaaaaaaah! Hij reageerde snel pakte de vingers vast die om zijn nek geklemd zaten en met een snelle beweging had hij haar onder controle. ‘Fatimaaaa!’ Hij schudde haar door elkaar. Van buiten de kamer hoorde hij snelle voetstappen. Zijn vader stormde de kamer binnen: ‘Wat is er gebeurd Brahim?’ ‘Ze probeerde me te wurgen!’ schreeuwde Brahim naar zijn vader. Hij zag de bange ogen van zijn andere zusje Samira en het verschrikte gezicht van zijn moeder. Terwijl zijn zusje Fatima nog lag te schuimbekken schoof hij opzij om plaats te maken voor zijn vader die het velletje onder haar pinknagel vastpakte en met zijn rustige stem begon te reciteren ‘a3odo bi Allah min shaytan irrajim, bismillahi ar-rahman ar-rahim…’
Brahim zakte tegen de muur aan en begon nu pas te beseffen wat er was gebeurd. Hij was in slaap gevallen: ‘7mar!’ schold hij tegen zichzelf. Zijn zusje moest wakker zijn geworden, hem hebben zien slapen en weer één van haar toevallen hebben gehad. ‘Yarbi, houdt het dan nooit op?’ Vol medelijden keek hij naar het bezorgde gezicht van zijn moeder. ‘Gaat het wel met je?’ fluisterde ze. Hij glimlachte naar haar en zei dat het goed ging, dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. ‘Ga maar slapen in de andere kamer Brahim’, zei zijn broer tegen hem, ‘ik zal je aflossen voor de rest van de nacht. Ze zal nu wel rustig blijven.’ Brahim knikte dankbaar naar zijn broer en liep naar de andere kamer toe. Hij had verwacht niet te kunnen slapen vanwege alle opwinding maar hij viel vrijwel direct in slaap.
De volgende dag zat hij op school een beetje voor zich uit te staren. TAK. Hij schrok wakker, en zag de meester voor hem staan die met de liniaal op tafel had geslagen. ‘Slapen doen we niet in de les, Brahim’. ‘Sma7li meester’, zei Brahim en hij stak zijn hand uit omdat hij wist wat er zou gaan komen… De pijn hield hem wakker voor de rest van de dag. Thuis aangekomen zag hij zijn zus in een hoekje op de binnenplaats zitten, ze keek naar hem met schuchtere ogen, hij liep naar haar toe en gaf haar een kus boven op haar hoofd. ‘Labas a3leik?’ vroeg hij haar glimlachend. ‘Elhamdoulilah’ antwoorde ze, en ze glimlachte ook. Bedroefd liep hij naar de keuken om iets te eten, ze kan er niks aan doen, miskina, dacht hij bij zichzelf.
Zo sleepten de dagen en nachten zich voort. Brahim groeide op en zijn zus werd niet beter. Door de jaren heen werd er van alles geprobeerd, Brahim kon en wilde zich de rituelen niet voor stellen. Hij zag zijn zus steeds meer aftakelen, niet alleen door haar conditie maar ook door de oude mannen die haar moesten genezen. Elke nacht had Brahim nachtdienst samen met zijn broer en moeder. Zij moesten wakker blijven als Fatima ging slapen, er voor zorgen dat ze zichzelf niets aan zou doen wanneer ze wakker werd. Soms waren de nachten niet zo erg, dan was Fatima wakker en deden ze samen kaartspelletjes, las hij haar verhalen voor of probeerde haar te leren lezen. Maar vaak genoeg sliep ze en moest hij vechten tegen de slaap. De dagen waren zo mogelijk nog verschrikkelijker, wanneer hij op school het gevecht tegen de slaap verloor en slaag kreeg. Hij had constant blauwe plekken op zijn vingers. Hardleers noemde de meester hem. Hij moest eens weten. Maar Brahim was niet de persoon om andere mensen lastig te vallen met zijn problemen. Bovendien zou het de meester vast niet interesseren.
Brahim geloofde niet dat zijn zuster bezeten was. Hij was er van overtuigd dat zijn zus ziek was. Psychisch ziek, zo had hij het gelezen in zijn Franse boeken. Hij probeerde zijn vader er dan ook van te overtuigen dat Fatima een dokter nodig had, geen recitaties. Maar zijn vader wilde er niets van weten. Als Brahim er over begon riep hij vaak uit: ‘Yarbi, waarom heeft U mij een ongelovige zoon gegeven en een vriend van de Fransen bovendien!’ Zijn vader was teleurgesteld in hem, Brahim wist het, maar hij kon niet iemand zijn die hij niet was. Als er een God zou zijn, zo dacht hij, waarom was er dan zoveel ellende in de wereld? Waarom gingen er dan elke dag mensen dood van de honger en waarom konden mensen dan niet in vrede leven? En waarom was zijn zus dan zo ziek? Hij paste er wel voor op om deze vragen hardop uit te spreken. Zowel thuis als op school zou dat hem alleen maar misère brengen. Hij zocht dan ook naar antwoorden bij beroemde denkers, filosofen als Plato, Aristotles en Socrates. Hoewel hun ideeën hem op school niets opleverde, had hij het gevoel dat hij begreep. ‘Je pense, donc je suis : ik denk dus ik ben’ (René Descartes). Niks tegen geloof vond Brahim, maar het houdt je dom en Brahim wilde niet dom zijn.
Zo zat hij tijdens zijn nachtdienst weer eens na te denken over de zin van het leven en over het filosofische gedachtegoed van zijn idolen. Diep in gedachten verzonken hoorde hij zijn zus dan ook niet. Ze was wakker geworden. En ze had weer een aanval. De aanvallen waren de laatste tijd erger geworden. Opeens schrok Brahim op uit zijn gedachten door de rauwe stem van zijn zus. ‘Hey, jij daar! Domkop.’ ‘Ga slapen Fatima.’ Ze lachte: ‘Je zou willen dat ik Fatima ben.’ Brahim negeerde haar. ‘L7mar, je kan zoveel lezen als je wilt maar slim zul je nooit worden.’ Brahim zuchtte, en sloeg de bladzijde van zijn boek om. ‘Ik haat je,’ siste ze, ‘vanaf de dag dat je werd geboren heb ik je gehaat. Tfoe! Lelijkerd.’ ‘Je haat me alleen omdat je me niet aan kunt, omdat ik te sterk voor je ben en omdat ik als enige niet bang voor je ben!’ Brahim vroeg zich af waarom hij dit had gezegd, hij geloofde niet in bezetenheid en het had geen zin om zulke dingen te zeggen tegen een ziek persoon. Fatima zou nu alleen maar boos worden, zachtjes schold hij op zichzelf. En hij zag dat zijn gedachten waarheid waren. Fatima werd woest: ‘Ik zal je leren, je denkt dat je onkwetsbaar bent, maar dat ben je niet!’ Voordat Brahim het wist lag hij op de grond, hij had Fatima niet zien bewegen maar het werd zwart voor zijn ogen en hij hoorde Fatima nog net gillen: ‘Babaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa!’
Het volgende moment deed Brahim zijn ogen open. ‘Wat is er gebeurd?’ dacht hij bij zichzelf. Hij wist het niet, er was een zwart gat in zijn geheugen. Hij voelde zich beroerd, zijn hele lichaam deed pijn. Opeens hoorde hij een geluid naast zich. Hij draaide zijn hoofd om naar het geluid om te kunnen zien. Hij zag zijn moeder met een bezorgd gezicht naast hem staan. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij haar. ‘Niks,’ zei ze, ‘je bent ziek geweest’. Brahim wilde vragen waarom hij zich er dan niks van kon herinneren maar hij viel weer in slaap. In zijn slaap ving hij af en toe flarden van gesprekken op. Komt het wel goed met hem? Meende hij zijn zusje Samira horen vragen. Af en toe dacht hij zijn vader te horen, die smeekte: Ya Allah maakt hem alsjeblieft beter. Soms dacht hij de heldere ogen van zijn zusje Fatima te zien en de hand van zijn moeder op zijn hoofd te voelen. De zware stem van zijn broer te horen. Maar hij maakte het niet bewust mee. Na een week te hebben geslapen werd Brahim wakker. Met de gedachte dat hij te laat was. Hij zag dat het licht was geworden en dat zijn moeder naast hem sliep. School, ik moet naar school! Brahim kleedde zich aan, pakte een stuk brood uit de keuken en liep naar buiten. De straten waren nog rustig. Brahim vroeg zich af hoe laat het was. Hij liep maar een beetje doelloos op straat. Op de één of andere manier scheen hij de weg naar school niet meer te weten. Brahim wist niet hoe lang hij zo gelopen had of waar hij allemaal had gelopen maar het was opeens drukker op straat. Hij scheen wakker te worden uit een soort roes en zag de mensen opeens heel helder. Hij stond zich nog te verbazen over het nieuwe gat in zijn geheugen toen alles plotseling zwart werd en hij het gevoel kreeg te verdrinken. Hij zakte weg en hoorde een hysterische stem gillen.
‘Je dacht dat je sterker was, maar je had het mis. Ik zei het je toch. En nu controleer ik jouw bewegingen, je gedachten, je leven.’ Verward deed Brahim zijn ogen open. Wie had er zojuist tegen hem gepraat? Hij keek om zich heen. ‘Waar ben ik?’ mompelde hij. Hij lag in een bed, in wat ooit een witte kamer was geweest. ‘Je bent wakker!’ Een vrouw die hij niet kende kwam de kamer binnen. Hij keek haar niet-begrijpend aan. ‘Je bent in het ziekenhuis.’ legde ze uit. ‘Wat doe ik in het ziekenhuis?’ vroeg Brahim haar. Je hebt een toeval gehad op straat. ‘Een wat?’ ‘Een toeval. Het schijnt dat je hysterisch werd, hevig begon te schokken en toen neer viel.’ Brahim keek haar ongelovig aan. Dit klonk meer als zijn zusje Fatima in plaats van hijzelf. Hij besloot er het zwijgen toe te doen en deed zijn ogen dicht, hij had geen zin meer om met de vrouw te praten. Hij probeerde na te denken maar er zaten te veel gaten in zijn geheugen. Hoe langer hij nadacht over wat er aan de hand kon zijn, hoe meer hoofdpijn hij kreeg. Hij gaf het op en liet zijn gedachten gewoon een beetje slingeren. Tot hij weer in slaap viel.
Hij werd wakker van een gesnik. Hij deed zijn ogen open en zag Fatima naast zijn bed zitten. ‘Fatima?’ ‘Oh, Brahim!’ snikte ze en ze begon nog veel harder te huilen. ‘Waarom huil je?’ Ze keek hem aan met zoveel verdriet dat Brahim’s hart bijna brak: ‘Brahim het is allemaal mijn schuld! Ik heb zo vaak gehoopt en gebeden dat ze weg ging maar dit wilde ik niet!’ ‘Hoe bedoel je dit?’ ‘Brahim, ze heeft mij verlaten maar ze heeft bezit van jou genomen.’ ‘Fatima, waar heb je het over? Je weet dat ik niet in die onzin geloof.’ ‘Ja, je denkt dat het een ziekte is, maar ik zou het maar gaan geloven Brahim want ik ben beter en jij bent nu ziek en je hebt precies hetzelfde als wat ik had.’ Brahim geloofde het niet. ‘Haal de dokter.’ zei hij tegen Fatima.
‘Dokter, wat is er met me aan de hand?’ vroeg Brahim zodra de dokter zijn kamer binnenstapte. ‘We vermoeden dat je in een psychose zit en bovendien een gespleten persoonlijkheid hebt. Met de juiste medicatie moet het te verhelpen zijn.’ ‘Dokter, hoe verklaart u dat mijn zus precies dezelfde symptomen had als ik maar nu helemaal beter is?’ ‘Dit kunnen we niet verklaren, het is een wonder!’ ‘Ik geloof niet in wonderen.’ antwoordde Brahim.
Toch moest Brahim het gaan geloven. Hij mocht naar huis en hij had medicatie. De medicatie maakte hem sloom en slaperig maar hielden zijn toevallen onder controle. Het leven thuis was als een sleur, hij maakte het niet echt mee maar hij zag wel dat het goed ging met zijn zusje. De rollen waren nu omgedraaid. Zij had nu nachtdienst en bleef de halve nacht wakker om hem te bewaken terwijl Brahim lag te slapen. Hij vond het vreselijk dat hij zo afhankelijk was maar aan de andere kant was hij ontzettend blij dat Fatima beter was. Hij liet haar vele malen het verhaal van hoe ze beter was geworden opnieuw vertellen. Hij verbaasde zich er steeds weer over. Vooral het gedeelte waarin ze vertelde dat ze een schim had zien opstijgen vanuit haar eigen lichaam en in zijn lichaam had zien duiken. Het kon gewoon niet waar zijn, het ging tegen alles in waar hij in geloofde.
Maar door de jaren heen begon hij het toch te geloven. Hij zag Fatima opbloeien als een bloem en hij begon zichzelf steeds slechter te voelen. Steeds vaker mistte hij stukken uit zijn leven, zwarte gaten in zijn geheugen wanneer de djinn hem weer eens overnam. Ze kon steeds beter weerstand bieden tegen de medicatie die Brahim innam. Toch begon Brahim meer na te denken over het leven. Als hij bezeten kon zijn door een djinn, waar hij nu toch wel vrij zeker van was, waarom zou er dan geen God bestaan? Tegenover slechte dingen zouden toch ook goede dingen moeten staan.
Op een nacht droomde Brahim van een fel wit licht, hij voelde zich warm en koud tegelijk, maar aangenaam. Beter dan hij zich in lange tijd, misschien wel zijn hele leven, had gevoeld. Opeens hoorde hij een stem zeggen: ‘het is tijd’. Hij opende zijn ogen en in een trance stond hij op, kleedde zich aan en liep naar buiten. Hij zag niets, hij liep gewoon, alsof een kracht buiten hem om hem trok. Links de deur uit, een stuk rechtdoor, onder de poorten door, de trap op, het gebouw binnen. Schoenen uit, naar de kraan toe en over het tapijt liep hij helemaal naar de voorkant van het gebouw waar de preekstoel stond. Hij ging zitten: ‘Ash-hadoe alla iellaha iella Allah, wa ash-hadoe anna Mohammadan rassoeloe Allah’. Hij herhaalde de shahada drie keer en het was alsof hij opeens wakker werd. Hij keek om zich heen en zag opeens de imam van de moskee voor hem staan. ‘Welkom broeder’. ‘Dank u.’ Dit voelde goed, dit was waar hij moest zijn. Brahim pakte een koran en begon te lezen. Zo zat hij een aantal uren in de moskee totdat hij zich bedacht dat niemand thuis wist waar hij was. Geschrokken stond hij op en liep naar huis waar iedereen in rep en roer was. ‘Brahim! Waar was je?’ vroeg zijn moeder hysterisch. ‘Ik was in de moskee’. Opeens was iedereen stil. Hij zag tranen in zijn moeders ogen opwellen, hij zag zijn vader naar hem kijken alsof hij zojuist de profeet zelf had gezien: ‘Allah leidt wie Hij wil op het juiste pad’ mompelde hij.
Brahim voelde zich gelukkiger dan ooit. Natuurlijk was de djinn nog aanwezig, maar hij had het gevoel dat híj nu de overhand had. ’s Avonds wanneer zijn vader de Koran reciteerde ging Brahim bij hem zitten en voelde dan de rust van de genezende woorden op hem neerdalen. In zijn hart wist hij dat alles goed met hem zou komen…
inta ab.. w ana oum.. inta Adam w ana Hawa...
brr kippevel, mooi geschreven!
mooi verhaal hoor![]()
Favorieten/bladwijzers