+ Reageer
Pagina 2 van 2 EersteEerste 1 2
Weergegeven resultaten: 11 t/m 17 van 17
  1. Volks verhalen uit marokko

    #11
    CONTRA
    Gast
    De patrijs, het kind en de gast


    Er leefde eens een man samen met zijn vrouw en hun zoontje. Hij was jager en elke morgen ging hij jagen in de omgeving. Hij doodde elke dag drie patrijzen waarmee hij zijn gezin voedde.

    Op een mooie dag nam hij er vier mee naar huis en toevallig trof hij vlak bij zijn huis een keurig geklede man aan die hem om gastvrijheid vroeg. Hij legde uit dat hij op reis was en niet wist waar hij de nacht moest doorbrengen, in deze stad waar hij niemand kende.

    De jager nodigde de reiziger bij hem binnen en gaf de patrijzen aan zijn vrouw om ze voor hen klaar te maken. Daarna nam hij zijn gast mee naar de moskee, omdat het tijd was voor het gebed.

    zijn vrouw deed de patrijzen in een pan op het vuur. De mannen bleven lang in de moskee en de tijd ging voorbij.. In een hoek van het vertrek lag het kind te slapen. De vrouw begon flink trek te krijgen en het duurde zo lang. Ten slotte kon zij het niet uithouden en at ze haar patrijs op.

    Toen ze zag dat haar zoontje nog steeds sliep, at ze ook een tweede patrijs. De tijd verstreek nog verder en de twee mannen waren nog steeds niet teruggekeerd. omdat haar honger nog niet gestild was, verloor zij al haar beheersing en at ook de laatste twee patrijzen op.

    Toen werd haar zoontje wakker en begon te huilen: hij had honger! Juist dat moment had de gast uitgezocht om van de moskee terug te keren. Hij kwam eerder dan de vader des huizes, die nog wat was blijven napraten met een van zijn vrienden. "Wat is er met de jongen aan de hand? Waarom huilt hij?," vroeg hij. "Waarom hij huilt? Wel," antwoordde de vrouw, "wanneer er een gast bij ons is en het kind huilt, dan hebben wij de gewoonte om hem een klein stukje van het oor van de gast te geven, daar wordt hij stil van. En in dit geval huilt hij al een hele tijd en hij begrijpt maar niet waarom ik nog wacht."

    De man deinsde achteruit, dodelijk verschrikt, en nam de benen juist op het moment dat de heer des huizes eraan kwam. "Wat is er met hem aan de hand dat hij zo hard wegrent?" vroeg deze. "Hij gaat er vandoor met de patrijzen! pak hem!, schreeuwde zijn vrouw. De echtgenoot zette de achtervolging van de reiziger in, terwijl hij riep: "Geef me er slechts een klein stukje van! Tenminste voor het kind! Een heel klein stukje maar!" En de arme reiziger, die dacht dat men het op zijn oor gemunt had, vloog er nog sneller vandoor... en werd niet meer ingehaald.


    * * * EINDE * * *

  2. Volks verhalen uit marokko

    #12
    CONTRA
    Gast
    De dode die nog even terug mocht


    Er was eens een heel rijke man . En die man was, zoals zo vaak het geval is, bovendien een van de allergrootste gierigaards ter wereld.
    Hij had zijn hele leven niets anders gedaan dan geld opstapelen, steeds meer geld. Zijn leven was als een droom voorbijgegaan, en plotseling stierf hij.
    Wanneer mensen doodgaan komen zij al lereerst terecht in een gesloten vertrek met twee ramen. vanuit het ene raam kunnen zij het paradijs zien en vanuit het andere de hel. Zij moeten in die ruimte blijven gedurende de tijd die nodig is om over hen te oordelen. Ze dromen dan over het paradijs dat ligt te stralen onder hun ogen en vrezen de hel als hun toekomstig lot. Natuurlijk vinden ze in het vertrek voldoende voorraden om zich te kunnen voeden. want hoewel ze gestorven zijn, zijn ze toch nog te veel met het aardse bestaan verbonden om het zonder eten te kunnen stellen .
    Maar wat gebeurde er: onze man kwam in een geheel leeg vertrek. Niets lag er, zelfs niet het kleinste kruimeltje brood! Hij riep dan ook een engel en begon te protesteren. waarom kreeg juist hij nu zo"n slechte behandeling? De engel legde hem uit dat het lege vertrek betekende dat hij kortzichtig en zorgeloos was geweest en dat hij zich niet had voorbereid tijdens zijn leven, dat hij geen enkele voorraad had aangelegd om mee te nemen! De oude vrek smeekte de engel om een goed woordje voor hem te doen. Hij vroeg niet meer dan om nog een maandje te leven, een klein maandje maar om zich beter te kunnen voorbereiden. Het was toch ook niet zijn schuld, zei hij. Hij was door niemand gewaarschuwd! De engel sprong voor hem in de bres en hij kreeg nog recht op een hele maand.
    De vrek kwam dus terug op aarde. Er was niemand die zich over zijn terugkomst verheugde, ook al was het maar voor zo kort, want hij had nog nooit van iemand gehouden en niemand had van hem gehouden.
    Maar dat kon hem nauwelijks iets schelen. Hij bracht zijn maand door met het klaarmaken, bestellen en opstapelen van alle mogelijke soorten voedsel. Hij zorgde vooral voor hoeveelheden droge koekjes waar hij bijzonder veel van hield.
    De maand ging snel om, vol koortsachtige bedrijvigheid. Alleen de laatste dag kon de vrek een beetje uitpuffen. Hij had zojuist geweldig gemopperd op zijn dienstbode die een paar koekjes van het laatste baksel had laten verbranden, toen er een bedelaar aan de deur klopte. omdat het zijn laatste dag op aarde was, maakte de gierigaard voor het eerst van zijn leven een groots gebaar: hij gaf de bedelaar een van de verbrande koekjes, terwijl hij zichzelf gelukwenste met zijn gulheid.
    Daarna vertrok hij opnieuw. Hij kwam weer in de kamer met uitzicht op het paradijs en de hel, stapte bij voorbaat handenwrijvend naar binnen en.. vond het verbrande koekje dat hij aan de bedelaar had gegeven!


    * * * EINDE * * *

  3. Volks verhalen uit marokko

    #13
    CONTRA
    Gast
    Kalfskop


    Er waren eens twee broers die in dezelfde periode trouwden. Zij kregen ook ongeveer tegelijkertijd hun kinderen in de daaropvolgende jaren. De ene broer kreeg zeven zonen, de andere zeven dochters. De vader van de zeven zonen was verschrikkelijk trots op zijn fantastische nageslacht. De vader van de zeven dochters droeg bescheiden zijn ongelukkig lot. wanneer zij elkaar onderweg ergens tegenkwamen, dan groette de vader van de dochters zijn broer met eerbied, terwijl hij vriendelijk glimlachend sprak: "Dat jouw dag gelukkig mag zijn, o vader van zeven bloemen!"

    Waarop de ander als grap antwoordde: "Dat jouw dag gelukkig mag zijn, o vader van zeven plagen!" Dat gesprekje hielden zij jarenlang vol. Maar toen brak de dag aan dat de oudste dochter meerderjarig werd. Zij had er schoon genoeg van om als iets verachtelijks beschouwd te worden door haar oom. Zij vroeg aan haar vader om haar oom het volgende plan voor te leggen: "Laten we aan onze beide oudsten, jouw zoon en mijn dochter, de vrijheid geven om de wijde wereld in te trekken en dan zullen we zien wie van beiden zich het beste kan redden." De vader van de jongens stemde erin toe. Hij kocht voor zijn zoon een prachtig bruin paard en dekens en voorraden voor een lange rit. De vader van de meisjes, die arm was, kon van zijn kant alleen maar een brood en een veldfles met water aan zijn dochter meegeven.

    Het meisje klom achterop het paard van haar neef en de twee jonge mensen vertrokken in galop op hun grote reis. De eerste dagen gingen zonder moeilijkheden voorbij. Het meisje was zuinig met haar brood. Maar de jongen at stevig van zijn voorraad eten.

    Toen hij alles op had, vroeg hij wat te drinken aan zijn nichtje. Zij antwoordde: "Ik geef jou van mijn veldfles als jij me jouw burnous (wijde, wollen mantel) geeft." Zo gebeurde het. En de rit te paard ging verder. Maar de lucht was zinderend heet en het paardrijden maakte dorstig.

    Het duurde dan ook niet lang of de jongen vroeg weer om een paar slokken uit de veldfles. Daarop antwoordde het nichtje: "Dat is goed, op voorwaarde dat jouw paard van mij is." Zo bleef er langzamerhand niets dan lompen voor de jongen over en gehuld in een hemd en barrevoets liep hij als een vagebond langs ?s heren wegen.

    Het meisje reed vrolijk op haar mooie roodbruine ros, gehuld in haar prachtige mantel, op weg naar een stad waarvan zich in de verte de muren al aftekenden.

    Onderweg kwam ze een klein, uitgehongerd katje tegen dat. luid miauwde. Zij gaf het diertje alles wat nog over was van haar voorraad eten. De kat verdween.

    De zoon van de sultan zag deze schitterende ruiter te paard naderen en nodigde hem uit. Een beetje verbaasd merkte hij de vreemde blik van zijn gast op en dacht: zijn houding te paard is die van een man maar de ogen zijn die van een vrouw.

    Hij besloot om dit raadsel voor te leggen aan sjeik al Moudabbar. Deze zei tegen hem: "Nodig deze ruiter uit en laat een bed klaarmaken van hennablaadjes; wanneer de blaadjes er de volgende morgen nog keurig bij liggen, dan is het een man. wanneer alles overhoop ligt, dan is het een vrouw." Het meisje ging de slaapkamer binnen, waar het dankbare katje haar opwachtte en waarschuwde, want die had het gesprek met de sjeik afgeluisterd. Zij paste die nacht goed op om niet in haar bed te woelen en ?s morgens kon men zien dat alles keurig in orde was.

    Zij bleef logeren in het paleis en sprak veel met de zoon van de sultan, die haar op haar wandelingen vergezelde. Ondanks alles bleef de prins toch twijfelen aan de identiteit van zijn gast en hij nam zijn toevlucht opnieuw tot de sjeik al Moudabbar. Deze sprak: "Nodig hem uit om naar je tuin te gaan. Als hij bloemen plukt, is het een vrouw, zo niet, dan is het een man." Opnieuw kwam het katje, dat steeds in de buurt van de zoon van de sultan was gebleven, haar jonge vriendin waarschuwen. Het meisje weerhield zich ervan om ook maar ??n bloem te plukken.

    Nog steeds niet gerustgesteld ging de prins weer naar de sjeik. Die dacht diep na en zei: "Serveer een vleesschotel met botten voor hem. Als jouw disgenoot in het vlees bijt en begint te kluiven van de botjes, dan is het een vrouw. Als hij eerst het vlees in stukken snijdt en de botjes opzij legt, is het een man." Het meisje, dat op de hoogte gebracht was door haar trouwe kleine katje, paste goed op niet te gulzig te eten en sneed zorgvuldig haar vlees in stukken alvorens de botjes weg te leggen. De zoon van de sultan werd steeds onzekerder en twijfelde steeds meer over zijn idee?n en ging door met het voeren van gesprekken en wandelingen maken.

    Moe van het op de proef stellen stapte hij nog een laatste maal naar zijn grote raadgever. En de sjeik zei tegen hem: "Bied je gast aan een Turks bad te nemen. Als hij er lang in blijft is het een vrouw, als hij er snel uitkomt is het een man." Die opmerking was heel juist, omdat vrouwen de gewoonte hebben een Turks bad meer te bezoeken om er het gezelschap van andere vrouwen te vinden met wie zij de hele dag kletsen dan om van het bad te profiteren. In ieder geval blijven ze er meestal lang om hun schoonheid en hun kapsel te verzorgen en om zich mooi op te maken, terwijl mannen, die altijd druk bezig zijn, er zodra ze schoon zijn snel weer uitkomen.

    Het meisje nam, als steeds ge?nformeerd door haar katje, een snel bad en ging naar buiten.

    Dit had al met al een jaar geduurd. Een jaar lang had zij een heerlijk, aangenaam leventje geleid, dat wel, maar er moest een eind aan komen. Zij besloot dus om weer naar huis terug te keren. Maar voordat zij het paleis verliet, schreef zij op de poort: "Kalfskop, die een vrouw niet van een man weet te onderscheiden!" Woedend deed de jonge prins zijn koninklijke mantel om en snelde op een prachtig paard naar de stad van het meisje. Hij huwde haar in alle pracht en praal.

    Onbekend is of de neef ook bij de bruiloft was.


    * * * EINDE * * *

  4. Volks verhalen uit marokko

    #14
    CONTRA
    Gast
    Vrouwenstreken


    Er leefde eens in het land van een rijke sultan een jongeman die dacht alles te weten over vrouwen en hun listen. Elke dag kwam hij met zijn ezel naar de vestingmuur van het paleis, waar hij op een rustige plek ging zitten in de schaduw van een vijgenboom. Daar zat hij dan tot de schemering te lezen in de boeken die hij had meegenomen en die hem leerden - dat dacht hij tenminste - vrouwen te wantrouwen en hun streken te doorzien.

    Op een dag zat hij geheel verdiept in zijn zware lectuur toen een lachend gezicht tussen de kantelen van de vestingmuur te voorschijn kwam. Het was een gezelschapsdame van de prinses, mooi als de maan, stralend als de zon, die al lange tijd ge?ntrigeerd was door het doen en laten van de jongen. "Hoe kan een knappe jongeman als hij," vroeg zij zich af, "zijn tijd verdoen met lezen en nog eens lezen?" Zij voelde zich bijna beledigd. Zij wenste dat hij haar zag staan, mooi zou vinden en haar dat zou vertellen en... waarom niet? Dat hij met haar zou willen trouwen.

    Die dag besloot zij om zijn aandacht te trekken. Zij was helemaal alleen op het terras en omdat er ook verder helemaal niemand te zien was, riep ze: "Jongeman die daar onder de vijgenboom zit te lezen, weet je niet dat dit het paleis van de sultan is?" - "Meisje daarboven op de vestingmuur, ik weet het wel. Daarom kom ik juist hier elke dag zitten. Nergens anders zou ik zo rustig kunnen lezen en studeren als in de schaduw van deze vijgenboom." - "Het moet wel heel interessant zijn wat je leest, want je kijkt nooit eens op, en," voegde ze er brutaal en verleidelijk aan toe, "als ik je niet had geroepen, zou je me nooit opgemerkt hebben." De jongeman vergat een moment zijn boeken en bekeek haar met wat meer aandacht. Hij vond haar heel mooi met haar lange zwarte haar, haar ogen als van een gazelle en haar kleine, rode, lachende mond.

    Hij kreeg er plezier in en antwoordde: "Deze boeken leren me alles wat er te weten valt om niet bedrogen te worden door vrouwen. Vanavond, als ik het laatste uitgelezen heb, hoef ik niet meer bang te zijn voor hun streken. Geen enkele vrouw zal mij ooit kunnen beetnemen." "Ben je daar zeker van?" vroeg het flirtende meisje. "Even zeker als ik ben van jouw schoonheid. Geprezen zij Allah, die jou die schoonheid heeft geschonken." Toen zij hem zo zag zitten, kreeg het meisje zin hem eens een lesje te leren. Ze besloot om zich voor te doen als haar meesteres, de dochter van de sultan die - moge Allah ons ervoor behoeden - gebrekkig en mismaakt was, en de jongen ertoe te brengen haar ten huwelijk te vragen.

    Met haar meest betoverende glimlach ging zij verder: "Jij weet zoveel, je weet vast wel dat ik de dochter ben van onze eerbiedwaardige meester, de sultan. Mijn vader sluit me op in dit paleis en verbiedt me naar buiten te gaan. Ik breng mijn dagen door in de tuinen en vaak klim ik naar boven op de vestingmuur om de stad te bekijken. Zo heb ik jou gezien en als je met me zou willen trouwen, dan zou je me buiten deze muren kunnen meenemen. Wil je mijn hand gaan vragen aan mijn vader? Wanneer hij ziet hoe goed en intelligent jij bent, zal hij jou zeker mijn hand schenken." De jongen was verrast en gevleid en vergat ook maar enig wantrouwen te koesteren. Hij dacht dat alleen zijn uiterlijke verschijning en zijn verstand voldoende redenen waren voor een dergelijk verzoek. Bovendien was het meisje mooi. Hij ging enthousiast op haar voorstel in en liet zich uitleggen wat hij moest doen.

    N adat ze hem alles verteld had, zei het mooie meisje: "De sultan zal tegen je zeggen dat ik doof en stom ben, blind en verlamd, mismaakt en wat al niet! Dat is een test, geloof het dus niet. Hou vast aan je verzoek." De jongeman, wiens hart in vuur en vlam stond, besloot er geen gras over te laten groeien. Hij ging naar huis, kleedde zich snel om in feestkleren en keerde terug naar het paleis. Hij liet zijn ezel achter bij de vijgenboom, liep door de prachtige paleistuinen en slaagde er na heel wat heen en weer praten in om toegelaten te worden bij de sultan. Zodra hij bij hem kwam boog hij diep: "Moge Allah u overladen met goede zaken! Ik ben gekomen om u te verzoeken mij te helpen en te beschermen. Wilt u, o vereerde sultan, mij de hand van uw dochter schenken?" Hoewel deze onverwachte vraag de sultan verraste, antwoordde hij: "Ik zou kunnen denken dat je mij voor de gek hield, als ik je niet met eigen ogen zo onschuldig en eerlijk voor me zou zien. Je weet zeker niet dat mijn dochter doof en stom is sinds haar geboorte. Zij is blind, verlamd en mismaakt. Wil je nog steeds met haar trouwen? Geloof me, ga heen. Ik zal je daad vergeten." - "Ik accepteer alles." De sultan zag hier een onverhoopte gelegenheid om zijn dochter uit te huwelijken en drong niet langer aan. Hij gaf zijn toestemming en liet de jongen kleden in een prinselijk gewaad en overlaadde hem met alle mogelijke goede gaven. Met veel pracht en praal werd het huwelijk aangekondigd. De voorbereidingen en de bruiloft werden met grote volksfeesten gevierd. De huwelijksnacht was aangebroken en de jongeman droomde al verliefd van het meisje dat hij eenmaal tussen de kantelen had gezien, maar daarna nooit meer.

    Toen hij de slaapkamer binnenkwam, wachtte hem daar de echte dochter van de sultan, doof, stom, blind, verlamd, misvormd! De sultan had niet gelogen. Hij voelde zich gekrenkt door alle vrouwen en zwoer zich nooit meer door hun listen in de luren te laten leggen.

    Ondertussen moest hij van zijn vrouw zien af te komen, maar omdat ze de dochter van de sultan was kon hij haar niet, zoals elke willekeurige onderdaan, verstoten zonder toestemming van de sultan.

    Alleen met haar in hun kleine huisje bracht hij dag en nacht door met het zinnen op een middel hoe hij zich zonder schade kon bevrijden. Hij kon niets bedenken en nam zijn oude gewoonte weer op; elke dag ging hij met zijn ezel en zijn boeken bij de paleismuur zitten in de schaduw van de vijgenboom. Misschien hoopte hij, zonder het zichzelf toe te geven, tussen de kantelen het lachende gezicht van de gezelschapsdame te zien. Op een avond, net toen hij wilde terugkeren naar zijn trieste woning, werd hij geroepen door een bekende stem: "Jongeman, die leest onder de vijgenboom, herken je me nog?" Hoewel hij in zijn hart boos was, antwoordde hij: "Meisje daarboven, ik ben haar, die misbruik van mijn vertrouwen heeft gemaakt, niet vergeten." - "Je ziet wel dat je niet alles geleerd hebt uit je boeken. Ben je er nog steeds zo zeker van alles van de streken van vrouwen te weten?" - "Even zeker als van jouw schoonheid! Allah zij geprezen die jou die schoonheid geschonken heeft! Nu ik mijn boeken uit heb en ervaring heb opgedaan, kan geen enkele vrouw me meer bedriegen!" Toen zij zag dat hij nog steeds zo verwaand en zelfingenomen was, voelde het meisje haar medelijden wegsmelten en bedacht ze ter plekke een nieuwe list. Zij boog zich naar hem toe over de vestingmuur heen en zei met tedere en zachte stem: "Ik heb er spijt van dat ik je zo bedrogen heb en ik zou je willen helpen. Ik weet hoe je je kunt bevrijden van die vrouw. Maar wil je wel naar mij luisteren? Ik zal het je niet kwalijk nemen als je weigert."

    De jongeman, maar half gerustgesteld, vroeg zorgelijk: "Wat heb je nu weer met me voor?" - "Niets dat je kan schaden. Ik wil alleen mijn fout herstellen." - "Goed, spreek, ik luister. wat moet ik doen?" - "Keer naar huis terug en zet morgen je vrouw ongesluierd op een ezel en rijd met haar door de kashba (de oude wijk). Stop voor elke deur en roep smekend: "Wie wil een aalmoes geven voor deze ongelukkige? Moge God uw ouders zegenen!" Wanneer de sultan de schande van zijn dochter te horen krijgt, zal hij een scheiding eisen. Je zult weigeren in naam van de godsdienst. Alleen als de sultan je een grote som geld biedt, moet je erin toestemmen."

    De volgende morgen nam hij zijn ezel mee tot voor de deur van zijn huis, plaatste het zadel erop en twee manden, nam zijn vrouw op en tilde haar met zorg op de rug van de ezel. Daarna begon hij aan zijn wandeling door de kashba. Hij stopte voor elke deur om met de slepende, zangerige stem van een bedelaar te smeken: "Wie wil een aalmoes geven voor deze ongelukkige? Moge God uw ouders zegenen!" De eerste die het hoorde waarschuwde de anderen: "Ai, ai, ai! Dat is niet mogelijk! De dochter van de sultan! Ongesluierd op een ezel! Aan het bedelen! Maar dat betekent het einde van de wereld!" Het gerucht ging als een lopend vuurtje rond en kwam in het paleis van de sultan terecht. Zijn woede was verschrikkelijk. Hij gaf het bevel dat de man die zijn dochter aan het onteren was, onmiddellijk bij hem moest worden gebracht.

    Toen hij hem voor zich zag staan, sprak hij hem bars toe: "Jij hebt het gewaagd om mijn dochter ten huwelijk te vragen, maar je hebt me niet verteld dat je een bedelares van haar wilde maken. Toch ben je nu rijk. waarom wil je ons onteren? Geef mij dadelijk mijn dochter terug." De jongeman stond op. Zijn rechten als echtgenoot, weigerde in naam van de godsdienst en weerstond zelfs dreigementen, zodat de sultan hem een grote som geld moest beloven om hem te doen besluiten. Zodra hij het geld kreeg, vertrok hij. Hij kwam bij de vestingmuur aan en hield stil onder de vijgenboom.

    De gezelschapsdame, die hem op zijn gebruikelijke plekje zag, sprak vriendelijk spottend: "Dat is wat je noemt een man op wie je kunt vertrouwen! Je komt me mijn deel brengen, neem ik aan?" Hij liet haar de goudstukken zien en begon ze te tellen.

    "Ik weet best dat ik je kan vertrouwen, maar als je een eerlijke verdeling wilt ma ken, heb je een weegschaal nodig. Zonder dat is echte rechtvaardigheid niet mogelijk. Vang deze maar die ik voor je heb klaargemaakt." Onder de verbaasde ogen van de man liet zij een lang touw naar beneden zakken waaraan een weegschaal stevig vastgeknoopt was.

    "Je hoeft nu alleen nog maar de goudstukken erop te leggen. wanneer je hem precies in balans gebracht hebt, dan is de verdeling gemaakt." De jongeman vond deze manier van doen wel een beetje merkwaardig, maar hij zag er geen kwaad in. Hij verdeelde de goudstukken over de weegschaal totdat de beide kanten in evenwicht waren. Zij vroeg hem daarop een stapje achteruit te doen opdat zij er zelf over kon oordelen.

    Toen hij haar gehoorzaamde, trok zij snel het touw met de weegschaal omhoog zonder dat hij ook maar de tijd kreeg het te verhinderen. Hij was met stomheid geslagen.

    Terwijl zij de goudstukken deed rinkelen, zei het slimme meisje tegen hem: "Je hebt heus niet te duur betaald voor de les die ik je geef. Ik hoop dat hij je van dienst zal zijn en dat je je zult herinneren dat de boeken over vrouwenstreken nooit compleet zijn, maar dat er altijd nog wel een hoofdstuk aan toegevoegd kan worden."


    * * * EINDE * * *

  5. Volks verhalen uit marokko

    #15
    CONTRA
    Gast
    A?cha, de dochter van de koopman


    Er woonde eens in Fez een heel mooi meisje dat A?cha heette. Haar vader was een rijke koopman in de stad. Daarom noemden de mensen haar Lalla A?cha bent et-tajar (dochter van de koopman), om haar te onderscheiden van alle andere A?cha's in Fez.

    Lalla A?cha bent et-tajar kwam elke morgen naar buiten op het terras om er de basilicum te begieten. Zij zorgde extra goed voor dit plantje omdat ze zo van de geur en de smaak ervan hield.

    Op een morgen zag de zoon van de koning haar en hij vond haar mooi als de maan. Hij informeerde naar haar en hoorde dat zij A?cha heette. De volgende ochtend riep hij haar dan ook zonder inleiding toe: "O A?cha bent et-tajar! weet je wel hoeveel blaadjes er aan de basilicum zitten die je daar begiet?" A?cha liet zich niet overdonderen en gaf geen krimp. Ze antwoordde meteen: "O sidi Mohammed, zoon van de koning! Jij die het boek van God bestudeerd hebt. weet je wel hoeveel sterren er aan de hemel staan, hoeveel vissen er in het water zijn en hoeveel punten er in de Koran staan?" De zoon van de koning was zo verbaasd over dit gevatte antwoord dat hij zo gauw niets wist te antwoorden. Daarom begon hij haar te bespieden om haar op een fout te betrappen, zodat hij de spot met haar zou kunnen drijven zoals zij met hem gespot had. En A?cha, die niets vermoedde, ging rustig door om elke morgen het dakterras te beklimmen en haar basilicum te begieten. op een morgen zag de prins dat zij een schaal vol koekjes op de grond van het terras zette. Zij koos een koekje uit en al etend hield zij zich bezig met haar plantje. Een kruimeltje viel toen op haar mouw. Ze zette haar gietertje neer, nam het kruimeltje tussen haar vingers en stopte het in haar mond. De zoon van de koning zag alles en hield zich stil. Maar de volgende morgen kwam hij opeens te voorschijn op het terras en riep spottend uit: "O A?cha bent et-tajar, weet je wel hoeveel blaadjes er aan de basilicum zitten die je daar begiet?" zij antwoordde: "O, sidi Mohammed, zoon van de koning! Jij die het boek van God bestudeerd hebt. weet je wel hoeveel sterren er aan de hemel staan, hoeveel vissen er in het water zwemmen en hoeveel punten er in de Koran staan?, Toen kon hij zich niet inhouden en riep: "Gisteren was je zo uitgehongerd dat je een piepklein kruimeltje van je mouw hebt gepakt en opgegeten!" zij was stomverbaasd en begreep dat de koningszoon haar in de gaten hield. Zij ging hetzelfde doen. Zij bespiedde hem, volgde hem in de straat zonder dat hij het merkte en bespiedde hem uiteindelijk voor een winkeltje. Hij stond een granaatappel te proeven, toen een zaadje op de grond rolde. De zoon van de koning bukte zich, raapte het gevallen zaadje op en at het onbeschaamd op.

    Mijn wraak zal zoet zijn, verheugde A?cha zich. De volgende morgen begon het steekspel weer opnieuw.

    "O A?cha bent et-tajar!, weet je wel hoe veel blaadjes de basilicum heeft die je begiet?" "O sidi Mohammed, koningszoon! Je hebt het boek van God bestudeerd" ken je echter wel het aantal sterren aan de hemel, vissen in het water en punten in de Koran?" "Eergisteren was je zo uitgehongerd dat je een kruimeltje van je mouw hebt gepakt en opgegeten. " A?cha antwoordde: "En jij, armste onder de armsten, jij hebt van de grond een granaatappelzaadje opgeraapt en het doorgeslikt!, De zoon van de koning werd heel boos. Hij had te maken met een sterke tegenstander, maar hij zwoer zichzelf de strijd te winnen. Hij dacht enkele dagen diep na en zon op wraak. op een morgen kwam hij een joodse koopman tegen die zijn ezel voortdreef, volgeladen met vis, terwijl hij luid riep : "vis te koop! verse vis te koop!" De prins kreeg een ingeving en stelde de koopman voor zijn vis en ezel aan hem.te verkopen. Hij bood hem er zoveel geld voor dat de koopman er hem zijn kleren nog bij gaf. De koningszoon trok ze aan en ging met de ezel op weg naar het huis van A?cha.

    "Vis te koop, lekkere verse vis!," riep hij.

    Maar daarop kwam A?cha niet naar buiten. Daarom riep hij nog wat harder: Ik heb vis, verse vis! wie wil vis kopen? Het is niet duur!" Hij schreeuwde zo uit alle macht dat A?cha uiteindelijk te voorschijn kwam. "Ja," zei ze, "hij ziet er wel fris uit, hoeveel wil je ervoor hebben?" Ik geef je al mijn vissen voor een klein kusje op je wang. " A?cha aarzelde. Ze keek eens om zich heen en zag niemand. Niemand in de straat, niemand voor de ramen, noch op de terrassen.

    Toen nam ze haar besluit en hield hem haar wang voor. De koningszoon gaf er een stevige kus op" gaf haar al zijn vissen en ging weg met blijdschap in het hart. A?cha keerde naar huis terug en maakte een heerlijke feestelijke vismaaltijd klaar. De volgende morgen ging zij natuurlijk weer naar haar terras.

    Toen de prins kwam keurde ze hem nauwelijks een blik waardig. Hij was zeer opgetogen en begon: "O A?cha bent et-tajar..." Daarop begon het gebruikelijk woordenspel, maar toen riep de prins triomfantelijk: "Gisteren was ik viskoopman en op de wang van A?cha heb ik een dikke kus gedrukt!" A?cha werd woest bij het idee zo beetgenomen te zijn. Zij besloot hard terug te slaan en rende weg van het terras. Ze vroeg aan haar vader om zwarte verf voor haar te kopen. Een week lang smeerde zij elke morgen haar lichaam daarmee in en toen leek zij net een zwarte Afrikaanse vrouw. Daarop vroeg z? haar vader haar naar de slavenmarkt te brengen en haar te verkopen, maar zo duur dat alleen de prins haar zou kunnen betalen. Haar vader weigerde natuurlijk. Maar A?cha drong zo lang en vastberaden aan, dat zij er uiteindelijk in slaagde hem te overtuigen. Daar moet wel bij verteld worden dat A?cha's vader een grenzeloos vertrouwen had in de intelligentie en de scherpzinnigheid van zijn dochter. Hij nam haar dus mee naar de slavenmarkt en verkocht haar. Aan de zoon van de koning, zoals A?cha hem nadrukkelijk gevraagd had.

    Diezelfde avond werd A?cha uitgenodigd in de kamer van sidi Mohammed. Zodra zij binnen was, deed zij net alsof zij thee ging zetten voor de koningszoon. Die liet zich verwennen en bewonderde zijn nieuwe slavin, die hem erg beviel. Zij reikte hem een glas aan" dat hij in ??n teug leegdronk. Als een plank viel hij op de divan neer en sliep in. want A?cha had een sterk slaapmiddel in zijn glas gegoten! Toen nam zij uit haar wijde mouw een scheermes en schoor de helft van de prachtige baard van de jongeman af. vervolgens nam ze kool en maakte zijn oogleden zwart. Daarna smeerde zij een dikke laag rouge op zijn wangen en trok hem haar eigen kleren aan. Ze liet hem in diepe slaap achter en vluchtte" nadat ze om ongemerkt te kunnen ontsnappen de kleren van de prins had aangedaan.

    De jongen sliep twee dagen achtereen. Toen hij wakker werd zochten zijn ogen de zwarte slavin die hij zo aardig vond maar er was niemand! Hij stond op en zag in de grote spiegel een schrikbarend beeld: hij was gekleed als vrouw, het gezicht buitensporig opgemaakt en het ergst van alles: de helft van zijn gezicht was baardeloos! En het was onmogelijk om de vrouw te vinden die dit alles zo geregeld had! Hij sloot zichzelf zeven da gen in zijn kamer op, de tijd die zijn baard nodig had weer aan te groeien en zwoer dat hij die slavin ter dood zou laten brengen onder de meest gruwelijke folteringen wanneer hij haar in handen zou krijgen. Na zeven dagen kwam hij met zijn aangegroeide baard voor het eerst weer buiten om een luchtje te scheppen.

    Toen hij daar A?cha met haar basilicum bezig zag, kon hij het niet laten haar te plagen : "O A?cha bent et-tajar..." En de gebruikelijke dialoog herhaalde zich, totdat A?cha kon eindigen door zegevierend te roepen: "vorige week was ik een zwarte slavin in het paleis van de koning en zijn zoons gezicht heb ik opgemaakt en zijn baard heb ik aan ??n kant afgeschoren en als vrouw heb ik hem vermomd!" De zoon van de koning voelde zich zo beschaamd dat hij er snel vandoor ging. Hij bracht de nacht door met diep nadenkenen had de volgende ochtend zijn besluit genomen. Hij zocht zijn vader op en verklaarde luid en duidelijk: Ik wil gaan trouwen. Het meisje dat ik zal huwen is Lalla A?cha bent et-tajar." De koning was stomverbaasd: "Wat! Je hebt prinsessen geweigerd te trouwen en ministersdochters" allen jou waardig en jij kiest voor de dochter van een eenvoudige koopman!" Ik wil haar hebben en geen ander. Ik moet haar hebben. Zo niet, dan zal er geen sprake van een huwelijk zijn." De koning hield van zijn zoon. Daarom stemde hij toe en liet voor hem A?cha's hand vragen. Zij gaf haar jawoord. Maar zij vroeg haar vader om in het geheim een ondergrondse tunnel te laten graven die het paleis met haar huis zou verbinden. want zij maakte zich nauwelijks illusies over de liefde van de koningszoon voor haar en over de redenen van deze verrassende bruiloft. De tunnel werd gebouwd en korte tijd later werd de bruiloft gevierd. De feesten duurden zeven dagen en zeven nachten en aan het eind van de week waren A?cha en sidi Mohammed met elkaar alleen.

    "Je hebt flink de spot met mij gedreven, A?cha koopmansdochter!" A?cha glimlachte zonder antwoord te geven. "Nu je mijn vrouw bent, ben je aan mij overgeleverd. Geef dus toe, wie is de slimste: de man of de vrouw?" - "De vrouw, mijn heer," antwoordde zij.

    Toen werd de koningszoon verschrikkelijk kwaad. Hij beval om A?cha, de opstandige A?cha" in een kerker op te sluiten die vroeger gediend had als opslagplaats voor het graan. Niemand behalve hijzelf mocht haar opzoeken. Elke dag bracht hij haar in de gevangenis brood en een kruikje water en riep haar toe: "A?cha, beken je nederlaag of je zult gevangene blijven! wie is nou de slimste, man of vrouw?" En A?cha antwoordde: "Het is de vrouw, mijn heer." Dan vertrok hij weer en dezelfde sc?ne herhaalde zich de volgende dag. Dat duurde zo een aantal dagen. De koopman begon zich ondertussen bezorgd te maken omdat hij niets meer van zijn dochter hoorde. Hij ging eens informeren bij het paleis en hoorde daar dat A?cha in een kerker gevangen werd gehouden. Hij liet daarom meteen de tunnel van richting veranderen zodat die in de gevangenis van zijn dochter uitkwam. En vanaf dat moment kon A?cha elke dag naar huis toe, waar ze de heerlijkste hapjes te eten kreeg en op zachte donzen kussens sliep, in plaats van het droge brood en de kale vloer in de kerker. Bij het ochtendgloren keerde zij terug in haar gevangenis, vlak voordat de zoon van de koning haar zoals elke dag kwam vragen: "A?cha, erken je nederlaag of je blijft gevangen! wie van de man of de vrouw is de slimste?" En zij antwoordde altijd met een spottend lach je: "Dat is de vrouw, mijn heer."

    Op een morgen kwam sidi Mohammed bij A?cha en vertelde haar dat hij enkele dagen weg zou gaan om samen met zijn beste vrienden een beetje uit te rusten in Sour. Sour was niet ver van Fez vandaan en de schaduwrijke bomen en de stromende beekjes maakten het tot een heel aangename verblijfplaats. A?cha wenste hem veel plezier en zodra hij vertrokken was haastte ze zich naar haar vader.

    "vader, ik wil dat je zo snel mogelijk een grote, mooie tent voor me klaarmaakt en dat je enkele lijfwachten en dienstmeisjes voor me vindt om mij te begeleiden. Ik vertrek naar het platteland! En ik wil dat mijn tent in sour geplaatst wordt, voordat mijn man er is!" ze vertrok met het rijtuig van de koopman. En toen de prins in sour aankwam tr?f hij daar een prachtige tent aan die met goud bestikt was en bewaakt werd door rijk uitgedoste slaven. Hij werd er erg door ge?ntrigeerd en terwijl zijn eigen tent er niet ver vandaan werd opgezet" stuurde hij een van zijn vrienden om inlichtingen over de bewoner van zo"n mooie tent in te winnen. De vriend keerde terug met het nieuwtje dat de bewoner een bewoonster was. Diezelfde avond zond de koningszoon een slaaf om de mysterieuze vrouw uit te nodigen hem te komen bezoeken. De slaaf kwam terug met het antwoord: een vrouw hoeft zich niet te vermoeien, het is de man die de vrouw moet komen opzoeken.

    Sidi Mohammed wachtte niet langer en hij vertrok naar de tent. Daar werd hij ontvangen door een prachtige jonge vrouw die hem een uitgebreide maaltijd toediende en hem. met gastvrijheid overstelpte. Zij deed dat zo goed dat sidi Mohammed drie hele dagen bij haar bleef. Zij aten en dronken samen, luisterden naar muziek en amuseerden zich.

    Toen moest de koningszoon tot zijn spijt vertrekken en hij gaf haar als afscheidsgeschenk een van zijn ringen. Nauwelijks had hij de tent verlaten of A?cha gaf haar dienaren het teken van vertrek. En toen sidi Mohammed - klaar voor het vertrek - nog een laatste blik wilde werpen op de plek waar hij zulke verrukkelijke uren had doorgebracht, zag hij niets meer! Alles was verdwenen! Toen hij in het paleis teruggekomen was, ging hij A?cha een bezoekje brengen, die zojuist weer teruggekeerd was naar haar kerker.

    "A?cha de gevangene, ik heb me kostelijk vermaakt. Ik ben een fantastische vrouw tegengekomen! Ik heb drie dagen met haar doorgebracht," zei hij tegen haar, in de hoop dat zij zich nu wel gewonnen zou geven. Maar A?cha antwoordde geslepen: "Ik ben erg blij voor u, mijn heer." Hij liet haar alleen en was erg boos" maar ondanks alles vergat hij niet om haar alle dagen brood en water te brengen. Zij ging ondertussen door met het bezoeken van haar ouderlijk huis en ze verzorgde zichzelf goed, want ze was in verwachting. Na negen maanden kreeg zij een zoontje, dat zij sour noemde. Zij liet hem bij haar vader maar kwam hem elke dag verzorgen. En elke dag kwam sidi Mohammed de eeuwige vraag stellen: " A?cha, erken je nederlaag, of je zult een gevangene blijven! Dus, wie van beide is het slimst: de man of de vrouw?" En hij kreeg eeuwig hetzelfde antwoord: "Het is de vrouw, mijn heer." op een morgen kondigde hij aan enkele dagen weg te gaan, ditmaal naar Dour. A?cha haastte zich naar haar vader, die alles gereed liet maken zoals de eerste maal en zo zat zij tegenover de koningszoon in Dour. Net zoals de eerste keer stuurde sidi- Mohammed een slaaf naar haar toe, die hetzelfde antwoord kreeg en net als daarvoor kwam hij bij haar, heel verbaasd haar daar aan te treffen. Ditmaal waren de feesten die zij voor hem organiseerde zo vol pracht en praal en zo vol plezier dat hij vijf dagen bij haar bleef. Maar hij moest haar toch weer verlaten en gaf haar als herinnering zijn sierdolk. Hij had zich nog niet omgekeerd of A?cha gaf het vertreksignaal en in een ommezien was alles weer verdwenen. Zodra hij thuis was, haastte de prins zich naar de kerker.

    Ik heb me nog beter vermaakt dan in sour! Ik heb achter elkaar gefeest. Een grote zaligheid. En ik heb vijf dagen met dezelfde vrouw doorgebracht. Zij is zo prachtig dat je er nooit genoeg van krijgt. "Ik ben erg blij voor u, mijn heer." Hij was ontevreden over haar antwoord en haar spottende toon.

    Maar zij was opnieuw zwanger en beviel, toen de tijd daarvoor gekomen was, van een tweede zoon. Die kreeg de naam Dour en ook hij verbleef bij de koopman, samen met sour. Regelmatig bleef de koningszoon komen, nog steeds hopend dat hij haar weerbarstigheid kon breken.

    "A?cha, erken je nederlaag of blijf gevangen! wie van man of vrouw is het slimst?" - "De vrouw, mijn heer." zijn woede nam steeds grotere vormen aan door de koppigheid van zijn vrouw. op een dag kwam hij haar een derde reis melden, ditmaal naar Lalla Hammamet Laqsour.

    Evenals de vorige malen was A?cha er nog eerder dan hij, en ze intrigeerde hem en bracht hem net zo in verrukking. Zij had hem zeven dagen te gast en toen hij haar verliet schonk hij haar een prachtig exemplaar van de Koran, versierd met kostbare edelstenen.

    En negen maanden later bracht A?cha een meisje ter wereld, dat zij Lalla Hammamet Laqsour noemde.

    Op een dag kwam de koningszoon" die het te veel werd, A?cha opzoeken en sprak tegen haar: Ik heb er genoeg van. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo koppig is als jij. omdat de zaken er zo voor staan heb ik besloten te hertrouwen. Mijn vader heeft de hand van mijn nicht voor mij gevraagd. Zij is jong en mooi en is tenminste volgzaam." - "En wanneer zal mijn heer trouwen?" - "Morgen," antwoordde hij en hij keerde haar meteen de rug toe.

    A?cha verloor geen seconde. Zij rende naar haar vader, vertelde hem het nieuws en gaf hem instructies. Hetzelfde deed ze bij haar kinderen. Daarna gaf ze aan de eerste de ring, de tweede de dolk en de derde, het kleine meisje, de Koran. De volgende dag, de huwelijksdag, nam de koopman de kinderen mee naar het paleis. Zij waren zo mooi en zo goed gekleed dat men ze hield voor prinsenkinderen en ze werden binnengelaten.

    Daar begonnen ze onmiddellijk alles te vernielen en omver te gooien. Ze sprongen op de matrassen, smeten het aardewerk kapot en gooiden de glazen leeg en schopten waar en wie ze maar konden. En tegen ieder die wilde ingrijpen schreeuwden zij zoals A?cha het hen had geleerd: "Wij zijn hier thuis. waarom jaagt u ons weg? wij zullen onze vader roepen! " Dat deden ze net zo lang en luidruchtig" totdat men sidi Mohammed ging halen om een beetje orde op zaken te stellen zodat het feest kon doorgaan. De zoon van de koning stond aan de grond genageld bij de aanblik van deze chaos en streng sprak hij de kinderen toe: "Wie zijn jullie? waar komen jullie vandaan?" De kinderen antwoordden in koor: "Ik heet sour." - "Ik heet Dour." - "Ik heet Lalla Hammamet Laqsour." Hij was verstomd. Die namen herinnerden hem aan de drie schitterende feesten die hij met de verbazingwekkende vrouw had doorgebracht. Maar hij was nog meer verbijsterd toen de kinderen hem de ring lieten zien en de dolk ep de Koran.

    Toen begreep hij het en vroeg gretig aan hen: "Wie is dan jullie moeder? Waar is zij?" - "Onze moeder, onze enige echte moeder is A?cha de gevangene!" Sidi Mohammed wist niet hoe hij het had. Hij vloog naar de kerker en boog zich over A?cha: "A?cha, je kunt het me nu zeggen. De man of de vrouw, wie van beide is het slimst?" En A?cha antwoordde: "Het is de vrouw, mijn heer." En deze keer was sidi Mohammed wel genoodzaakt toe te geven dat zij gelijk had. Hij liet A?cha uit de kerker halen en begeleidde haar naar de zaal waar de bruiloft werd voorbereid. Daar schoof hij zijn jonge nichtje, die er niets van begreep, opzij en liet A?cha op haar stoel plaatsnemen, met de drie kinderen aan haar zijde.

    Het feest duurde zeven dagen en zeven nachten. Er was zoveel muziek, zoveel dans en gezang dat men het aan de andere kant van de bergen kon horen. En het feest was zo mooi dat er vandaag nog over gesproken wordt!


    * * * EINDE * * *

  6. Volks verhalen uit marokko

    #16
    CONTRA
    Gast
    Het haantje Sourideq


    Er was eens een koning die heel verdrietig was omdat hij geen erfgenaam had. Wat kon het hem en zijn vrouw schelen dat het paleis vol rijkdommen lag als de muren van dat paleis nooit de lach van een kind hoorden.
    De koning was zo verbitterd dat hij op een dag boos naar God riep: "Heer, als u mij geen zoon wilt geven, geef mij dan ten minste een haantje.
    En zo gebeurde het dat de koningin plotseling wee?n kreeg en het leven schonk aan het haantje waar haar echtgenoot om had gevraagd. De koning had spijt van wat hij gedaan had en hij zei tegen zijn vrouw: "Laten wij er met niemand over praten. Liever een haantje als kind dan helemaal niets. Iedere dag zullen wij kijken hoe het met hem gaat, of hij blij is met het leven, rondstapt en graan pikt. Wij zullen hem Sourideq noemen en hem opvoeden in het paleis. Hij krijgt een kamer met een stok om op te zitten en een kamermeisje om voor hem te zorgen." Al snel bleek het haantje veel noten op zijn zang te hebben. Hij weigerde de enorme portie graan die het kamermeisje hem bracht en wilde alleen die dingen eten die mensen ook eten. Verder verliep het leven van het haantje rustig, de koning en de koningin hielden veel van hem en hij werd verzorgd door het kamermeisje.
    Een jaar of vijftien waren verstreken toen hij op een dag tegen het kamermeisje zei: "Ga tegen mijn vader zeggen dat ik wil trouwen. " Het kamermeisje snelde verbaasd en geschrokken naar de koning en de koningin om het te vertellen.
    De koningin hief haar armen ten hemel en zei: "Laat de duivel verre blijven van mijn haantje. " Maar de koning stemde in met het idee en beval het kamermeisje de markten in de buurt af te gaan om de mooiste hen te zoeken die zij kon vinden. Het kamermeisje gehoorzaamde en ze kwam terug met een prachtige hen met parelmoerkleurige veren, die ze naar de kamer van het haantje bracht.
    Hoe groot was haar verbazing toen zij de volgende morgen de kamer van het jonge paar binnenkwam met een dubbele portie eten en daar de arme hen op de grond vond, geveld door de haan. "Ik wil met een meisje trouwen en niet met een hen,? Zei de haan tegen het kamermeisje. "Ga dat tegen mijn vader zeggen." Het geschrokken kamermeisje holde naar de koning. De koning, onthutst, overlegde met zijn vrouw. Zij zei: "Dat is onmogelijk! Wij kunnen een meisje toch niet vragen met een haantje te trouwen. " Maar de vader hield haar voor dat als ze een arm meisje een grote rijkdom in het vooruitzicht zouden stellen, zo"n meisje misschien bereid zou zijn het hutje van haar familie te verlaten om in het paleis te komen wonen. Zij zou een zorgeloos leven hebben en zou ervan genieten het haantje te zien rondstappen, met zijn vleugels wapperen en te horen kraaien.
    Opnieuw werd het kamermeisje erop uitgestuurd, dit keer om een meisje te zoeken. Zij koos een meisje uit een heel arm gezin. Zij vertelde mooie verhalen over het leven in het paleis, over de juwelen en diamanten die de koning beloofde aan het meisje dat met zijn zoon, het haantje, zou willen trouwen.
    Het meisje voelde er wel voor. Als tegenprestatie werd tenslotte maar ??n ding gevraagd: geheimhouding.
    Ze stemde toe, maar vroeg nog wat tijd om afscheid van haar familie te nemen. Toch wat verward door wat haar te wachten stond, nam zij haar nicht in vertrouwen en vroeg haar om raad.
    "Maar dat is toch heel eenvoudig, ? Zei de nicht. "Neem het voorstel van de koning aan en je krijgt goudstukken en sieraden. Wat dat haantje betreft, je vindt vast binnenkort een manier om hem de nek om te draaien. Dan ben je van hem af, en je bent meteen rijk. " Het meisje vond dat een goede raad en ging dus mee naar het paleis, waar zij werd ontvangen door de koning en de koningin. Het huwelijksmaal werd in kleine kring geserveerd.
    ?s Avonds werd de jonge bruid naar de kamer van het haantje gebracht. Zodra de deur achter haar gesloten was, trok het haantje zijn hanenkleed uit en veranderde in een mooie jonge man. Hij ging voor het meisje staan, keek haar streng aan en zei: "Jij wilde alleen met mij trouwen om het geld, om te leven in overvloed en je armoede te vergeten. En je was van plan mij te doden. In plaats daarvan zal ik jou nu doden." En dat deed hij.
    "s Morgens vroeg trok hij zijn hanenkleed weer aan en het kamermeisje vond het dode meisje zoals zij eerder de hen had gevonden.
    Een tijdje later drong het haantje er bij het kamermeisje op aan zijn vader te vragen weer een vrouw voor hem te zoeken. De situatie werd pijnlijk. De nicht van de eerste vrouw had iedereen het geheim verteld : "De zoon van de koning is een haantje. " In het hele land hadden de mensen boos gereageerd. Boden gingen rond om een vrouw voor de zoon van de koning te vinden. De mensen lachten hen uit. Sommigen haalden hun schouders op, anderen waren verontwaardigd.
    Nu woonde er in een armoedig huisje een mooi meisje met veel kleine broertjes en zusjes. Zij wilde haar vrijheid wel opgeven in ruil voor de prachtige rijkdom die de koning haar in het vooruitzicht stelde. Dan zouden ook haar ouders, broertjes en zusjes genoeg te eten hebben en een prettig leven kunnen leiden.
    Zij meldde zich aan als bruid en viel in de smaak. " Na de bruidsmaaltijd werd het meisje naar de kamer van het haantje gebracht. Zodra de deur achter haar gesloten was, deed het haantje zijn hanekleed uit, hing het aan de kapstok en veranderde in een prachtige jonge prins. Hij zei: "Je hoeft niet bang te zijn, jij zult mijn vrouw zijn en "s nachts zullen wij gelukkig zijn. Ik ben geen haan maar een djinn. Er rust een vloek op mij omdat mijn vader zich niet heeft willen schikken naar Gods wil. Hij had geen kinderen en hij heeft Gods woede opgewekt door om een haantje te vragen. Ik moet een proeftijd vol maken, waarin ik overdag een haan ben en "s nachts een mens. Maar er zal een einde komen aan deze beproeving. Het gaat erom dat jij met mij deze tijd van boetedoening doormaakt en dat je nooit mijn hanekleed aanraakt. Vertel niemand het geheim.
    De jonge vrouw stemde hierin toe.
    De moeder van het meisje had zich aanvankelijk veel zorgen om haar dochter gemaakt. Zij kwam dan ook geregeld naar het paleis. Na een tijd vertrouwde het meisje haar moeder het geheim toe en vertelde dat haar man een echte prins was die overdag de gedaante van een haan moest aannemen.
    De moeder raadde haar aan het hanekleed van het haantje te laten verdwijnen als het aan de kapstok hing. Dit weigerde het meisje, het was haar immers verboden het hanekleed aan te raken..
    Toen richtte de moeder zich tot het kamermeisje en zei: "Ga de kamer binnen als ze slapen. Je zult het hanekleed aan een haak aan de muur vinden, naast de haard. Gooi het kleed in het vuur. Als het verbrand is, kan mijn schoonzoon het niet meer dragen." En zo gebeurde het. Maar de prins werd wakker van de scherpe lucht van rook en hij zag zijn hanekleed in het vuur liggen. De deur was dicht, het raam stond open.
    Snel trok hij het kleed uit de haard, doofde het vuur op de veren die net begonnen te branden, trok het aan en vloog weg door het raam.
    Het meisje riep hem na: ?Waar ga je heen ?, "Naar Djebel ouaqouac," antwoordde hij.
    Zij keek hem zo lang mogelijk na en barstte in tranen uit toen zij begreep dat hij door haar eigen schuld verraden was, omdat zij het geheim niet voor zich had kunnen houden. De koning en de koningin kwamen op het huilen af.
    Het meisje zei, vastberaden: "Mijn besluit staat vast, ik ga weg. Ik moet naar Djebel ouaqouac om mijn man te zoeken. Ik breng hem terug of ik zal sterven.
    En zo ging het arme meisje op weg met een beetje proviand: een broodje en een kruikje melk. (Kboube al-qem oua chakoual at Iben.) Bovendien nam zij haar mooiste sieraden mee.
    Zij liep en liep, dagen lang, jaren lang.
    Wanneer zij aan voorbijgangers vroeg waar Djebel ouaqouac lag, antwoordden zij met een vaag gebaar: "Blijf maar lopen.?
    Een reuzin die zij aansprak zei al net zo raadselachtig: "steeds doorlopen." uiteindelijk ontmoette zij een vrome oude man in een wit gewaad en een rozenkrans om de hals, die haar w?l raad wilde geven.
    "Je moet heel zachtjes aan doen, meisje,? Zei hij. "Je gaat een zware beproeving tegemoet. Een mensenetende reuzin houdt de toegang tot Djebel ouaqouac bezet en zij laat niemand door. Van verre kun je haar al zien, zo groot is zij.
    Om twaalf uur ,s middags gaat zij altijd naar het veld. Op haar hurken maait zij dan het koren. E?n van haar borsten gooit zij naar.achteren. Jij sluipt, zonder geluid te maken, dichterbij en raakt die borst aan. Dan wordt zij razend. Geef haar je kruik met melk om haar te kalmeren. Terwijl zij drinkt raak je haar andere borst aan.
    Het meisje volgde de raadgevingen van de oude man op. Om twaalf uur zag zij de reuzin in het veld koren maaien. Op haar tenen kwam zij dichterbij en raakte snel de borst aan die de reuzin over haar schouder geworpen had.
    Schuimbekkend van woede riep de reuzin:

    "Min damek ndir al-jorma.
    Min lehamek ndir al-loqma.
    A "adhamek kir"ad fi es-sama.

    "]ouw bloed drink ik in ??n teug.
    Jouw vlees eet ik in ??n hap.
    Je botten zullen kraken als een donderslag bij heldere hemel.

    Het angstige meisje reikte haar de kruik met melk aan en toen het monster gulzig dronk, raakte zij snel de andere borst aan. De reuzin kalmeerde terstond.
    " Als je niet de borst van A?ssa en die van Moussa had aangeraakt zou ik je met huid en haar hebben opgegeten. Nu moet ik je helpen en beschermen. Het is nog heel ver naar Djebel ouaqouac, dus blijf vannacht maar slapen in mijn grot.
    ,s Avonds, toen de reuzin haar zonen zag terugkomen van hun tocht, vroeg zij het meisje haar een pink te geven. De reuzin beet erin en ving zo een druppeltje bloed op. Daarna verstopte zij het meisje in haar grot.
    Toen nu de jonge reuzen binnenkwamen beet zij ook in hun pink en vermengde zo hun bloed met dat van het meisje.
    De reuzen roken mensenvlees en al gauw hadden zij het mooie meisje gevonden dat zich in hun grot had verborgen. Zij wilden zich op haar storten om haar op te eten. Maar hun moeder hield hen tegen en vertelde dat hun bloed vermengd was geraakt met dat van de jonge vrouw en dat zij haar dus respect en steun verschuldigd waren.
    ,s Morgens gaf de reuzin het meisje aanwijzingen omtrent wat zij moest doen om haar man te vinden.
    "Hier heb je zeven haren. Samen met je sieraden zullen dat je hulpmiddelen zijn om de proeven van Djebel ouaqouac te doorstaan.
    Om de weg te vinden brand je de eerste haar en de rook zal je naar de burcht brengen waar je echtgenoot gevangen zit. Hij wordt bewaakt door een monster met borstelige plukken haar op zijn hoofd. Dat is Ouled mzreb er-rass.
    Brand dan de tweede haar en dan zal deze vreselijke bewaker jou het kasteel inbrengen tot je voor een gesloten deur staat. Als de deur opengaat, zul je een vrouw uit de kamer zien komen. Als je haar vraagt je binnen te laten zal zij zeggen: ""Onmogelijk... Mijn man is heel jaloers.""
    Geef haar dan ??n van je sieraden en brand de derde haar.
    Blij met het juweel zal de vrouw je binnenlaten en de rook van de derde haar brengt je bij de kamer van de prins.
    Gebruik de ene keer een sieraad en de andere keer een haar en misschien lukt het dan. "

    De jonge vrouw bedankte de reuzin en geleid door de rook van de eerste haar liep zij de hele dag. Tegen de avond ontdekte zij de burcht die bewaakt werd door Ouled mzreb er-rass, een afschuwelijk wezen met wilde haren.
    Zij brandde de tweede haar en het monster voerde haar in het donker naar een deur. De deur ging open en er kwam een kwade vrouw uit, die zij voor zich won door haar een sieraad te geven"
    Alvorens het meisje binnen te laten ging de vrouw de kamer weer in om de prins heimelijk een slaapmiddel te geven. .
    Het meisje stak de derde haar aan, volgde de rook en kwam zo in de kamer waar zij de prins in diepe slaap aantrof.
    Tevergeefs riep zij zijn naam, schudde hem heen en weer , stompte hem zelfs met haar vuisten. Niets hielp, de prins werd niet wakker. Het begon licht te worden en het meisje moest het kasteel verlaten.
    Zij zwierf die dag rond het kasteel en ontdekte vlak bij de burcht een soort winkel waar de knecht van de prins na het werk placht te komen om uit te rusten en wat te praten met de winkelier.
    De volgende nacht stak het meisje de vierde haar aan en de verschrikkelijke ouled mzreb er-rass bracht haar weer naar de gesloten deur.
    Met een tweede sieraad kocht zij de vrouw weer om. Maar net als de nacht ervoor ging de vrouw nog even terug voor zij het meisje binnenliet.
    Dankzij de rook van de vijfde haar kon het meisje weliswaar bij haar echtgenoot komen, maar weer vond zij hem in diepe slaap.
    Ze stompte met haar vuisten, maar niets kon de slaper wekken. Het werd ochtend en weer moest het ongelukkige meisje het kasteel verlaten.
    De knecht van de prins had alles gehoord. In de loop van de dag ging hij langs bij de winkel tegenover het kasteel en vertelde de winkelier dat zijn meester ?s nachts door zijn vrouw werd geslagen en dat hij de vrouw had horen klagen: ?Word wakker , liefste, ik heb zo lang gelopen, ik heb alles in de steek gelaten om je te vinden. Laten wij hier weggaan" word toch wakker." De winkelier hoorde hem zwijgend aan.

    In de tijd dat de prins in het kasteel gevangen zat, liep de vloek die op hem rustte ten einde.
    Hij kon dus voor altijd zijn hanekleed aan de kapstok hangen en nu kon hij overdag ook af en tpe naar buiten gaan in de gedaante van een man. Die morgen was hij verbaasd toen hij zag dat hij "s nachts weer slagen en kneuzingen had opgelopen. Hij ging wat wandelen en stapte het winkeltje binnen. Hij vertelde de winkelier wat hem was overkomen. De winkelier vertelde hem wat hij toevallig van de knecht gehoord had.
    De prins nam een besluit. De volgende nacht zou hij alleen doen alsof hij het drankje dronk dat de vrouw hem zou geven. Daarna zou hij veinzen te slapen zodat hij de nachtelijke bezoekster zou kunnen zien.
    De jonge vrouw was bedroefd. Deze avond was haar laatste kans. Zij had immers nog maar twee haren, ??n om langs de bewaker te komen en ??n om de geheime slaapkamer binnen te kunnen gaan.
    Zij brandde "s avonds haar zesde haar voor ouled mzreb er-rass, gaf de vrouw een derde sieraad en stak de zevende haar aan om het verboden vertrek binnen te komen.
    En o wonder, zodra zij haar hand op het voorhoofd van de prins legde, opende hij zijn ogen.
    Zij hadden elkaar zoveel te vertellen dat zij niet wisten waar ze moesten beginnen. De vrouw bekende dat zij het geheim niet had kunnen bewaren maar dat zij niet het hanekleed in het vuur had gegooid.
    Integendeel, voor hem had zij haar familie in de steek gelaten en haar mooiste sieraden en rijkdom opgeofferd. Zij had haar leven op het spel gezet, had duizend beproevingen moeten doorstaan om hem te vinden.
    De prins vertelde dat hij sinds hij naar Djebel ouaqouac was gevlucht de gevangene was van het vreselijke monster en de bewaakster. Al die tijd had hij geen contact gehad met de buitenwereld. Terwijl zij elkaar dit alles vertelden voelden zij hun liefde voor elkaar groeien.
    De tijd van boetedoening veroorzaakt door de fout van zijn vader was weliswaar voorbij, maar toch wist de prins dat hij als haan terug moest keren naar het paleis. Hij trok zijn hanekleed dus weer aan en samen gingen zij terug naar het paleis, zij lopend, hij springend en fladderend.
    De koning en de koningin zagen met vreugde en verdriet hun schoondochter thuiskomen met naast haar het haantje. De koning kon zijn tranen niet bedwingen.
    Om een eind te maken aan alle emoties maakte Sourideq met zijn duim de verenmantel los en verscheen in zijn werkelijke gedaante, de gedaante van een mooie jongeman. De ouders stootten kreten uit van vreugde en dankten God.
    Iedereen in het paleis was blij en ook het volk toen het hoorde dat een arm meisje uit het volk, dank zij haar opoffering,en en niet aflatende trouw , koningin zou worden. Want de koning deed onmiddellijk afstand van de troon ten behoeve van zijn zoon.
    Het jonge koningspaar kreeg vele kinderen en regeerde lang en gelukkig.



    * * * EINDE * * *

  7. Volks verhalen uit marokko

    #17
    CONTRA
    Gast
    De betoverde vis


    Er was eens een visser die samen met zijn twaalf jaar oude zoon op visvangst ging. Hij was heel arm en die dag voelde hij zich nog triester en zorgelijker dan anders, want zijn vrouw had juist een dochtertje gebaard en het zou moeilijk zijn om de kost voor het hele gezin te verdienen.

    Toen hij zijn net voor de eerste maal had uitgegooid, voelde hij een stevige weerstand. Hij trok uit alle macht en daar kwam een opgezwollen en half vergaan kadaver van een ezel boven water. Wat heb ik toch een pech, dacht hij en hij gooide het net opnieuw in het water. Maar ook de tweede maal had hij niet veel geluk, want met heel veel moeite trok hij een zware steen naar boven, die bovendien de mazen van zijn net scheurde. Bah, nu had hij alleen een dikke steen en er was nergens een spoor van een vis te bekennen!

    "Er is geen macht, geen kracht dan die van God, de Almachtige!, zuchtte hij, terwijl hij zijn net voor de derde maal in het water wierp.
    "Allah, love Hem! De Almachtige, de Goedgeefse heeft dit kind toch niet geboren laten worden om haar zonder voedsel te laten. " Het net voelde alweer heel zwaar aan en was nauwelijks boven water te trekken, maar ditmaal zat er zeker iets levends in gevangen, want hij kon het net voelen schudden en schokken. En jawel hoor, een geweldige vis was bezig een heel gevecht te leveren met het net.
    Zodra hij de vis op de oever had getrokken ging de visser weg om een bijl te halen en zijn vangst in mootjes te hakken. Aan zijn zoon vroeg hij om daar op hem te blijven wachten.

    Maar opeens begon de vis zachtjes te huilen en hij keek de jongen smekend aan. Dikke tranen rolden uit zijn grote vissenogen.
    Vol medelijden pakte de jongen de vis op en wierp hem terug in het water. Daarna dacht hij erover na hoe boos zijn vader wel zou zijn wanneer hij bij terugkeer het dier niet meer vond, waarmee hij zijn gezin hoopte te voeden.
    De jongen werd door angst overmand en zette het op een lopen.
    Hij had nog maar een paar minuten langs de oever gerend toen plotseling van achter een rots een mooie jongeman te voorschijn kwam.

    "Vrede zij met je," sprak deze. ?Waarom ben je zo bedroefd?
    Ik heb mijn ouders verloren en kijk minder triest dan jij. Wil je met me meekomen? We kunnen samen verder gaan. "

    "Dolgraag,? Zei de jongen, "en als Allah het goed vindt. ? Zo liepen ze samen als vrienden verder en kwamen aan bij een stad. Ze keken er hun ogen uit, wandelden over de markten en door de smalle straatjes, bewonderden de winkels en alles wat er in de etalages lag.

    Op hun tocht kwamen ze door de straat waar de zijdekooplieden zich hadden gevestigd en ze vergaapten zich aan de prachtige kleuren die het echte vakmanschap verraadden en die de schitterende, soepele stoffen versierden.
    "O, wat een mooie winkel! Kijk, mijn broeder, wat een prachtige uitstalling!" riep de visserszoon uit, die nog nooit in een grote stad geweest was. "O, wat zou ik graag zo,n winkel hebben!"
    "Die wens is gemakkelijk te vervullen, broeder," sprak zijn reisgenoot.

    En de volgende dag huurde hij voor zijn vriend een nog grotere winkel die hij vulde met de rijkste en zeldzaamste stoffen.
    Alle voorbijgangers bleven staan en staarden met open mond van verbazing naar die mooie stoffen die aangeboden werden door zulke mooie kooplieden! De allermooiste zijde uit het oosten en het westen was te koop in hun winkel. Er lag brokaat en fluweel, beschilderde doeken, antiek en modern borduurwerk, stoffen uit India en zijde uit China, die zo fijn was dat je een hele jurk door een klein ringetje zou kunnen halen.
    En er waren ook linten en koorden in allerlei kleuren, prachtig bewerkte leren ceintuurs, kettingen van barnsteen, van zaadjes van de waaierpalmbomen en van edelstenen.
    Al snel werd hun winkel z? bekend, dat het grote aantal klanten problemen begon op te leveren.
    Er stopten zoveel bewonderaars voor hun winkel uit nieuwsgierigheid, dat het verkeer in die straat helemaal werd lamgelegd.
    De pasja besloot daarom dat het verboden was om zich in of bij die winkel op te houden.

    Door alle geruchten wilde de sultan die jonge koopmannen wel eens zien en hij nodigde hen uit om bij hem te komen dineren.
    Zodra hij de jonge, mooie visserszoon zag vatte de sultan grote genegenheid voor hem op. Zijn gelaat was blank als de dag en zijn haar was zwart als de nacht, zijn wangen waren als twee rozen en op zijn voorhoofd zat een schoonheidsvlekje als een druppel amber.

    De sultan vroeg hem vaak terug te komen en al spoedig kon hij hem niet meer missen. Hij had hem zelfs toestemming gegeven in zijn priv?-vertrekken te komen wanneer hij maar wilde en zelfs zonder te wachten totdat de vrouwen zich verborgen hadden. Hij kon geen moment buiten de vissersjongen. De sultan stond zelfs toe dat hij thee dronk met de prinses.
    Hij kon maar geen genoeg van de schoonheid van zijn gezicht en van zijn sierlijke manier van bewegen krijgen. Hij schepte er plezier in om mooie verzen van beroemde dichters voor de jongen te laten voordragen.

    Op een dag kwam de visserszoon somber en bedroefd thuis.
    ?Wat is er met je aan de hand, broeder?" vroeg zijn vriend hem.
    Na lang doorvragen bekende de jongen dat hij verliefd was op de dochter van de sultan.
    "Je kunt haar als vrouw krijgen," sprak zijn vriend.

    "Dat is onmogelijk, dat weet ik best en jij weet "t zelf ook," antwoordde hij ontmoedigd. "Ik ben slechts de zoon van een arme visser. "

    "Het is juist heel eenvoudig! Je hoeft maar om haar hand te vragen en je zult zien dat haar vader je haar dadelijk zal schenken. " Aangemoedigd door deze woorden ging de jongeman meteen naar het paleis van de sultan en vroeg zijn dochter ten huwelijk.

    De sultan boog het hoofd en dacht een uur in stilte na. Toen sprak hij: "Morgen zal ik je mijn antwoord geven. "
    En hij ging naar zijn vrouw om haar raad te vragen.
    "Mijn heer en meester," sprak zij, "hier heb ik een parel uit mijn juwelenlint. Laat hem aan de jongen zien en stel hem dan als voorwaarde om precies zo"n zelfde mee te brengen. " Hij zal er vast geen kunnen vinden, dacht ze bij zichzelf, en dan hebben we mooi een excuus om hem op een vriendelijke manier de hand van onze dochter te weigeren.
    Maar als hij eenzelfde meebrengt, en dat verwacht ik gezien het enorme formaat van de parel absoluut niet, dan is hij niet zomaar iemand, maar vast en zeker de zoon van een beroemde koning.

    De volgende morgen liet de sultan de parel aan de visserszoon zien en zei : "Ik zal je mijn dochter geven, als God het wil, op voorwaarde dat je mij een parel brengt die er net zo uitziet. " De jongen nam het juweel aan en keerde naar huis terug.
    "De sultan heeft mij niet de hand van zijn dochter geweigerd, maar hij heeft een voorwaarde gesteld, waaraan niet te voldoen valt."
    Z
    ijn vriend sprak: "De sultan zal je als schoonzoon accepteren. En wat die voorwaarde betreft, dat is geen probleem. Hier heb je een zakdoek vol met parels. Kijk zelf maar of ze niet even groot zijn als die van de koning. " opgetogen zag de jongen dat deze parels groot genoeg waren. In plaats van ??n enkele parel, kon hij nu een handvol prachtige parels aan de sultan aanbieden en die zou hem de hand van de prinses niet kunnen weigeren.

    Twee weken later werden de bruiloftsfeesten gevierd die een hele week lang duurden.
    Nu had de vriend de visserszoon gevraagd om hem na twee weken te komen opzoeken. Maar de jongen was geheel vervuld van geluk en hij kon nergens anders aan denken dan aan zijn lieve vrouw en al het koninklijk eerbetoon dat nieuw voor hem was en waar hij door overstelpt werd. Zo liet hij de termijn verstrijken en hij vergat zijn weldoener en vriend helemaal.

    Drie maanden later dacht hij weer aan de afspraak en hij zei tegen zichzelf : "Ik ga hem opzoeken. Hij wacht vast nog op me." Maar hij stelde het plan uit tot de volgende dag en dacht er toen weer drie maanden niet aan en zo verstreken de seizoenen en er ging een jaar vol plezier voorbij, zonder dat hij zijn belofte nakwam.
    Eindelijk besloot hij dan toch naar zijn vriend toe te gaan. Deze wachtte nog steeds op hem. Zijn onvrede was groot, maar groter was zijn vreugde over het weerzien met de ondankbare jongen.

    "Je bent me dus toch niet helemaal vergeten," sprak hij. "Hoe heb je een heel jaar lang niet aan mij kunnen denken, terwijl ik altijd aan jou dacht, steeds naar je komst uitkeek. Mijn hart sprong iedere keer op als er op de deur geklopt werd en steeds werd ik weer teleurgesteld. Er is geen dag voorbij gegaan waarop ik niet God gesmeekt heb om je komst! Maar nu ben je hier. Dat betekent dus dat je nog om me geeft. Laten we niet meer over het verleden praten, maar genieten van de momenten die God ons geeft... "
    De schoonzoon van de sultan, ontroerd door deze verwijten, begon te huilen en omhelsde zijn vriend die hem alles edelmoedig vergaf.
    Kort daarop besloot de schoonzoon van de sultan om zijn vader te gaan opzoeken. Hij bereidde zich voor en ging met een enorm gevolg op weg naar zijn geboorteplaats. Zijn vriend was hem vooruitgesneld en had een aantal prachtige huizen ingericht voor zijn verblijf en dat van zijn bedienden.
    De jongeman sprak bij zichzelf: ?Wat is het toch een kostbaar goed om een echte vriend te hebben: wat een geluk te weten dat er iemand is die altijd klaar staat om je te helpen en te troosten. " En hij zong de volgende regels :

    "Als een van je landgenoten het beste met je voorheeft, hecht je dan aan hem, leef m?t en v??r die ene unieke persoon.

    Toen maakte zijn vriend zich bekend: "Ik ben niet de jongeman die je denkt, maar een djinnia van het water. Jij hebt mij op een dag het leven gered. Ik was de vis die je vader gevangen had en die jij uit medelijden weer in zee geworpen hebt.
    Ik wilde je belonen voor deze goede daad en daarom heb ik deze gedaante aangenomen. Ik heb je door het leven geleid en ik heb alles wat je ondernam doen slagen.
    Maar denk niet dat je me iets verschuldigd bent.
    Degene die liefheeft denkt nooit genoeg te doen; ik werd voldoende terugbetaald voor mijn weldaden door gelukkig samen met jou te leven. Voor mij is het voldoende dat ik jou gelukkig heb gemaakt...

    En nu, mijn broer, moeten we afscheid van elkaar nemen. Ik moet ervandoor. Hier heb je een poeder. Neem het en als je me ooit nodig hebt, strooi dan een snufje ervan op de plek waar je mij het leven hebt gered: ik zal onmiddellijk komen, als God het toestaat, om jou te helpen." En zo verliet de djinnia haar vriend. Die vond zijn vader de visser terug, gebroken door ouderdom en werk. De zoon nam hem mee naar de hoofdstad van het rijk van zijn schoonvader de sultan en kleedde hem in koningskleren. En hetzelfde deed hij voor zijn moeder en zuster.


    * * * EINDE * * *

+ Reageer
Pagina 2 van 2 EersteEerste 1 2

Favorieten/bladwijzers

Favorieten/bladwijzers

Regels voor berichten

  • Je mag geen nieuwe discussies starten
  • Je mag niet reageren op berichten
  • Je mag geen bijlagen versturen
  • Je mag niet je berichten bewerken