Salaam,
Noeh {3alayhi salaam}
Allaahu Ta`ala heeft Adam en Hawwa's nakomelingen gezegend en uit hun zijn vele mensen voortgekomen. Ze hebben zich over het gehele aardbol verspreid en vermeerderd. Als Adam zou zien hoeveel nakomelingen hij had dan zou hij ze niet herkend hebben. Als aan hem gezegd werd:" Adam, die mensen massa die je daar ziet zijn jou nakomelingen", dan zou hij verbaasd antwoorden hebben:" Lof zij Allaahu Ta`ala!. Zijn die allen mijn kinderen, mijn nakomelingen?".
De nakomelingen van Adam hadden dorpen en steden gebouwd. Ze hadden het land bewerkt en ze leefden zo in harmonie verder. Ze geloofden in dezelfde godsdienst als hun vader Adam. Ze geloofden in Allaahu Ta`ala en ze aanbaden Allaahu Ta`ala zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen. Alle mensen leefden volgens een en dezelfde godsdienst in een hechte gemeenschap; hun godheid was Allaahu Ta`ala en hun profeet en vader was Adam.
Maar hoe kon Iblis en zijn nageslacht ( de slechte geesten ) dit verdragen?. Moesten ze zo maar toezien dat de mensen allen Allaahu Ta`ala aanbaden en buiten Hem geen godheden accepteerden?. En moesten ze zo maar de mensen, die een eenheid vormden en in vrede en harmonie leefden, hun gang laten gaan?. Dit kon niet zo verder doorgaan. Zou alleen Iblis en zijn nakomelingen naar het hellevuur gaan terwijl Adam en zijn nakomelingen in het paradijs zouden vertoeven?. Dit mocht nooit en te nimmer gebeuren. Destijds had hij, Iblis, niet voor Adam gebogen en Allaahu Ta`ala had hem uit het paradijs verjaagd en hen verdoemd. Moest Iblis nu niet ervoor zorgen dat samen met hem ook nakomelingen van Adam het hellevuur zouden binnengaan?. Hij moest wraak nemen.
Iblis had besloten de mensen uit te nodigen om naast Allaahu Ta`ala andere godheden te aanbidden. Dan pas konden ze samen met hem bevriend worden en met hem voor altijd in het hellevuur verblijven. Iblis wist dat Allaahu Ta`ala buiten "shirk" ( deelgenoten toekennen aan Allaahu Ta`ala ) alle andere zondes vergaf. Om te zorgen dat de mensen nooit in het paradijs zouden komen moest Iblis zorgen dat ze niet meer in Allaahu Ta`ala zouden geloven maar in afgodsbeelden. Als hij al meteen in de erste instantie zou zeggen:" Aanbid afgodsbeelden in plaats van Allaahu Ta`ala", dan zouden de mensen zijn list snel door hebben en zich nog vijandiger tegenover hem opstellen dan tevoren. De mensen zouden dan zeggen:" Moge Allaahu Ta`ala ons hiervoor beschermen. We zullen nooit deelgenoten aan Allaahu Ta`ala toekennen. En jij, o Iblis, bent niemand anders dan degene die verwijderd is van Allaahu Ta`alas barmhartigheid". Daarom verzon hij het volgende: Er waren bepaalde personen die erg oprecht, goed en vroom waren. Ze aanbaden en vereerden dag en nacht Allaahu Ta`ala. Ze deden alles wat Allaahu Ta`ala beval: ze deden het goede en verwijderden zich van het kwade en dit beveelden ze ook aan andere mensen. Allaahu Ta`ala hield van hen en zij hielden van Allaahu Ta`ala. Iblis was op de hoogte van deze situatie. Toen deze vrome personen stierven, fluisterde Iblis in de harten van de mensen:" Wat vinden jullie van die en die ( Iblis noemde de namen van deze vrome personen.)".
De mensen zeiden:"Lof aan Allaahu Ta`ala, zij waren de vroomste dienaren en geliefden van Allaahu Ta`ala. Als ze zich tot Allaahu Ta`ala richtten met smeekgebeden, dan werden deze verhoord, al hun wensen werden door Allaahu Ta`ala vervuld en alles wat ze wilden gaf Allaahu Ta`ala Iblis zei:" Zijn jullie niet verdrietig door hun afwezigheid?"
-Ja heel erg.
-En hoe is jullie verlangen naar deze vrome personen?.
-Dat is heel groot.
-Zouden jullie niet elke dag naar hun willen kijken?.
-Hoe kunnen we elke dag naar ze kijken als ze al dood zijn?.
-Maak dan standbeelden en portretten van hen, dan kunnen jullie hen zo vaak zien als jullie maar willen. Iblis mening vonden de mensen erg goed, Ze maakten eerst de portretten van deze vrome personen en later ook hun standbeelden. In elk huis en gebedshuis werden deze standbeelden en portretten neergezet. Elke keer dat ze naar hun standbeelden en portretten keken werden ze aan hen herinnerd. Later kwamen de mensen met hun problemen en wensen bij de standbeelden en portretten van deze vromen en vroegen deze om hulp en verlossing. Daarnaast aanbaden ze Allaahu Ta`ala en stelden geen deelgenoten naast Hem. Ze wisten dat de standbeelden en portretten de heilige vromen voorstelden. Het waren stenen voorwerpen die noch voordeel noch nadeel en noch voeding konden geven. Maar toch eerbiedigden ze hen en vroegen hen voorspoed en bescherming. Want ze representeerden de heiligen. Langzamerhand werd de eerbied voor deze beelden groter en voor elke heilige, die overleed, maakte men een standbeeld of een portret.
Naarmate het aantal gelovigen afnam nam de eerbied voor de beelden toe en uiteindelijk aanbaden de mensen deze beelden. Hiermee aanbaden de mensen niet langer Allaahu Ta`ala als hun godheid maar de afgodsbeelden van de vrome heiligen. Nu hadden ze geen een god maar vijf godheden, deze heetten suwa, yaghus, yauk, nasr en wud.
Allaahu Ta`ala heeft deze mensen bestraft en verdoemd. Natuurlijk hadden ze dit verdiend. Had Allaahu Ta`ala ze geschapen, gevoed en gekleed zodat ze zich tegen Allaahu Ta`ala zouden keren?. Allaahu Ta`ala had hen onnoemelijk veel gunsten verleend, Hij had de aarde met alles wat daarin zit voor hen geschapen en toch ontkenden ze hun Schepper . Hoe is dat toch mogelijk. Ze profiteren van alles wat Allaahu Ta`ala ze geeft en aanbidden hun afgodsbeelden. Dit is onrechtvaardig. Daarom werd Allaahu Ta`ala boos op hen en er kwam een lange periode van droogte en hongersnood. De mensen hadden niets te eten en hun aantal nam af door hongersdood. Maar de mensen werden er niet wijzer van en het kwam niet bij hun op om berouw te tonen.
Allaahu Ta`ala stuurde toen een boodschapper die onder deze mensen leefde. Hij zou dan met hen praten en hen waarschuwen. Want Allaahu Ta`ala gaat niet iedere mens afzonderlijk zeggen wat ze wel en wat ze niet mogen doen. Zo zijn ook de regeringen. Het hoofd van een land gaat ook niet bij iedereen zeggen wat verboden en toegestaan is. Daarvoor hebben ze allerlei ambtenaren ( ministers, burgemeesters, politie, rechters etc.) in dienst. We kunnen deze mensen zien en met hen praten. Maar we kunnen Allaahu Ta`ala niet zien en we kunnen ook niet met Allaahu Ta`ala praten. Daarom stuurde Allaahu Ta`ala profeten die onder de mensen leefden met boodschappen. Deze boodschappers konden wel met Allaahu Ta`ala praten. Allaahu Ta`ala zei aan deze boodschappers wat ze aan de mensheid moesten verkondigen. De mensheid kan alleen door middel van zulke boodschappers te weten komen wat Allaahu Ta`ala goed vindt of afkeurt.
Allaahu Ta`ala wilde dat de profeten mensen moesten worden, die de taal en gewoonte van de mens kende. Als de profeten engelen zouden zijn dan zouden de mensen zeggen:" Wat hebben we met hen te maken, zij zijn engelen en wij zijn mensen. Wij hebben allerlei behoeftes, zoals eten, drinken, slapen, ziek worden, doodgaan en trouwen, hoe kunnen wij dan net als de engelen Allaahu Ta`ala onophoudelijk aanbidden?". Met zulke smoesjes zouden de mensen zich niet tot Allaahu Ta`ala keren.
Maar als de profeet een mens is dan kan hij het volgende antwoord daarop geven:" Ik heb dezelfde behoeftes en gevoelens als jullie. Ik eet, drink en kleed als jullie, ik wordt ook wel een ziek en ik ga net als jullie eens dood. Ik aanbid Allaahu Ta`ala zoals jullie het ook zouden moeten doen. Waarom doen jullie het dan niet?". Dan zouden de mensen geen smoesjes meer kunnen verzinnen en hem gelijk geven.


LinkBack URL
About LinkBacks
Met citaat reageren
Favorieten/bladwijzers